30 december 2011

Life of local hardworking Ugandan young man.

Het lijkt ons informatief een willekeurig iemand te vragen aan de hand van een aantal vragen iets op papier te zetten over zijn levenswijze in Oeganda. Het wordt uiteindelijk een ober van een hotel.

We geven eerst weer wat hij voor ons op papier heeft gezet. Daarna hebben we een aantal aanvullende opmerkingen die naar voren zijn gekomen in een gesprek.

Mijn naam is Henri Ssensuwa. Ik ben 28 jaar, geboren in Oeganda. Ik verloor mijn ouders. Ik ben een wees. Sinds 2006 ben ik onderwijzer van beroep.

Ik sta elke morgen om zeven uur op. Ik ben om half acht op school. Tijdens de lunch om 1 uur werk ik voor een bedrijf als accountant.

’s Middags om half drie ben ik terug op school om weer les te geven. Dat betekent dat ik ’s middags geen eten krijg. De lunch krijg ik laat in de avond.

Om vijf uur ben ik klaar met lesgeven. Ik bereid me dan voor op mijn avondbaan als ober in een hotel. Daar eindigt mijn baan om half twaalf of twaalf uur. Daarna ontmoet ik mijn familie weer.

Ik ben een arm iemand die maar weinig verdient met deze drie banen. Voor mijn werk als accountant krijg ik een kleine vergoeding voor vervoer en bellen.

Tijdens mijn vakanties als onderwijzer heb ik twee banen, accountant en ober, om de kost te verdienen.

Ik ben getrouwd en heb een zoontje. Mijn zoontje is 41/2 jaar oud. Volgend jaar kan hij met school beginnen maar ik weet niet of ik het schoolgeld kan betalen. Ik probeer iets opzij te leggen voor zijn studie.

Mijn hobbies zijn: het schrijven en lezen van boeken, naar muziek luisteren, vooral country muziek.

Ik heb de volgende dromen: Ik hoop een stukje land te kunnen kopen voor drie of vier miljoen shilling (924 of 1233 euro) en in de komende vijf jaar een huis voor mijn gezin te bouwen.

Daarna hoop ik te kunnen beginnen met een basisschool voor arme, behoeftige kinderen. Ik probeer harder te werken om tenminste wat geld op mijn rekening te hebben.

Op dit moment heb ik 140.000 shilling (43 euro). Ik hoop dat God het me mogelijk maakt door mijn werk en goede mensen uit verschillende landen mijn dromen ooit te verwezenlijken.

Ik groet alle mensen in Nederland namens mijn familie via de heer Leo Annyas en zijn vrouw.

Bedankt, God zegene u. Ssensuwa Henri en familie. Voor God en mijn land.



Henri woont met zijn vrouw in een huis met drie kamers. Vanwege de kosten woont hun zoontje bij de ouders van zijn vrouw. Voor de huur van zijn huis betaalt Henri 150.000 shilling (46 euro) per maand. Daar gaat zijn salaris als leerkracht aan op.
Met de baan van accountant verdient Henri 100.000 shilling (30 euro) per maand. Dit bedrag is bestemd voor kleding, voeding,verzorging, medicijnen, enz.

Henri probeert geld te sparen, maar er hoeft maar wat onverwachts te gebeuren of zijn spaargeld verdampt.

Zoals gezegd krijgt Henri geen eten tussen de middag. In de ochtendpauze krijgt hij “black tea”. Hij staat dan ook vaak ‘s middags met een hongerig gevoel voor de klas.
Henri heeft HIV. Hij weet niet hoe hij eraan gekomen is. Waarschijnlijk hebben zijn ouders het overgedragen. Henri hoopt nog twintig jaar, misschien dertig jaar te leven om zijn dromen te kunnen verwezenlijken.

Op dit moment is vanwege HIV medicatie al noodzakelijk. Henri slikt twee tabletten per dag. Kosten 1000 shilling. De dokter heeft hem het advies gegeven meer en op tijd te eten. Als hij dat niet doet, wordt zijn leven nog meer bekort.

Aan het eind van de dag is Henri meestal erg moe. Maar hij heeft voor zichzelf geen andere keus. Hij wil dat zijn vrouw en kinderen (zijn vrouw is in verwachting) het beter krijgen.

We zijn op bezoek geweest bij Henri thuis. Henri en zijn vrouw in trouwkleren. Het blijkt dat de derde kamer in het huis gebruikt wordt voor een winkeltje waar wat tweedehands kleding wordt verkocht en wat frisdrank. De vrouw van Henri zwaait hier de scepter.
Achter het huis is nog wat ruimte. Henri heeft hiervoor plannen . Wat kippen houden of een timmerbedrijfje beginnen, samen met zijn broer. Plannen genoeg, maar het startkapitaal van rond de 500.000 shilling (€150) ontbreekt.
De buren van Henri, zo krijgen we te horen, hebben een gehandicapt kind. Het kind komt nooit buiten en zit vaak opgesloten in een kamer.

Op ons verzoek brengt moeder het kind naar buiten. Een operatie om te kunnen lopen, is volgens moeder niet mogelijk. Een rolstoel zou wel uitkomst bieden. Dat is een brug te ver.

Misschien kunnen wij die brug slaan. Wij kennen een Nederlandse organisatie die rolstoelen verstrekt. Vertegenwoordigers komen in februari naar Oeganda.




30 december 2011

Fijn om te horen!

Lunchtijd. Je zit buiten op een plek wat je geen terras zou durven noemen. Het eten is besteld. Dan stopt er opeens een bus. Sporters in opvallende gele trainingspakken met opdruk UGANDA stappen uit. Een enorme beker wordt de bus uitgedragen. Een wat groot uitgevallen wereldbeker zou je zeggen. Dat is niet mis! Hier moeten we te maken hebben met grote kampioenen. We zien blije en lachende gezichten. Maar we missen iets. Het duurt even voordat we beseffen wat. We missen lawaai! We horen geen vreugdekreten, geen gezang, niets van dat alles. De sporters laten niets van zich horen. We zien ze wel druk gebaren. Het kwartje valt.

We hebben hier te maken met dove sportmensen. Nu gaan wij om met dove kinderen. Maar met het aanleren van de doventaal gaat het niet zo vlot. Gaat het goed met je? Dat gebaar kennen we. Zaterdag kunnen we ook uitbeelden. Het is dan wasdag en dus wrijf jemet je knokkels over elkaar. Zondag kost ons ook geen moeite: De handen gevouwen voor het lichaam.

Het is echter geen zaterdag en ook geen zondag. Blijft over de vraag: “Hoe gaat het met je?” Natuurlijk een stomme vraag als je net een wereldbeker gewonnen hebt. Maar we maken er de blits mee. We mogen nu zelfs de wereldbeker vasthouden. We voelen ons ware kampioenen. En niet alleen dat. We voelen ons als kleine kinderen die plotseling oog in oog staan met hun idolen. De handtekeningen ontbreken nog. Ineens krijgen we een poster in handen gedrukt met foto’s van alle spelers. Die mogen we houden. Een relikwie.
Maar dan willen we ook de handtekeningen van de spelers. En die krijgen we. Kostbare snoepjes.
We krijgen zoveel aandacht van de sporters, de begeleidende staf, de spelersvrouwen dat we onszelf de kampioenen wanen. En nog steeds weten we niet in welke tak van sport men kampioen geworden is en van welk gebied. Er wordt iets op een groot stuk papier geschreven. Ha,het gaat hier om het kampioenschap van Oost-Afrika voor doven. Voetbal gokken we. We wisselen emailadressen uit met de captain. Zo kunnen we foto’s opsturen. Dat doen we en al snel komt er bericht terug van de captain. De strijd om het kampioenschap van Oost-Afrika is georganiseerd door Kenya. Kenya verstuurde de uitnodigingen aan verschillende landen. Alleen Oeganda is komen opdagen. Daardoor zaten zij direct in de finale. De strijd tegen Kenya werd met 1-0 gewonnen.

Verder werd uit de email duidelijk dat de captain zich nationaal sterk maakt voor de belangen van de dove mensen. Terecht, zo weten we. Treurig genoeg zien vele mensen in Oeganda doven niet als volwaardige mensen. En daar moet verandering in komen.


24 december 2011

05. Geen hengel geven, maar leren vissen!

Families die in aanmerking komen voor een geit moeten eerst zelf een stal bouwen. Verder moet er een training gevolgd worden hoe om te gaan met geiten en hoe geiten te verzorgen. Iedere familie tekent een contract waarin de voorwaarden vermeld staan. Ook tekent men voor ontvangst van de geit.

Wij volgen het zogenaamde zero ‘grazing system’. Dat houdt in dat het voer naar de beesten in de stal gebracht wordt i.p.v. dat de beesten hun eigen kostje bij elkaar scharrelen.



Inmiddels is duidelijk geworden dat de uit zijn functie ontheven coördinator het de laatste tijd niet zo nauw nam met de voorwaarden bij de uitgifte van geiten aan nieuwe families. Wij zetten nu de puntjes weer op de i.

In ons project vormen drie basisscholen centrale punten in het project. Hier staan de bokken. De deelnemende families aan het project brengen hier hun geiten heen om gedekt te worden. Recentelijk is bij een van de scholen het grondgebied drastisch ingeperkt waardoor het tijdelijk huisvesten van geiten zeer bemoeilijkt wordt.

Ons project speelt zich af in drie sub-counties. Het gebied is uitgestrekt. De transportkosten zijn daardoor hoog. Nieuwe families moeten de eerste worp van de geit terug geven aan het project. De veearts komt eens in de drie maanden bij de families langs voor behandeling en vaccinaties. De ‘executor’, de uitvoerder in elk gebied bezoekt zijn families.

Wij willen er naar toe dat het project uiteindelijk “self-supporting” wordt.

Nu we het project evalueren nemen we ook een kijkje in de keuken van een ander geitenproject om daar ons voordeel mee te doen. We gaan op stap met FINIDP oftewel Friends In Need Integrated Development Project. Oegandezen zijn dol op lange titels met bijbehorende afkortingen.

FINIDP bevordert onder andere inkomsten-genererende activiteiten. Een geiten project is daar een voorbeeld van.

Met de programmamanager bezoeken we een aantal families in het project. Ook hier worden voorwaarden aan de families gesteld. Nieuw voor ons is dat men minimaal1 acre land moet bezitten, gedeeltelijk grasland waar de beesten kunnen grazen. Daarnaast moet er altijd iemand thuis zijn. Dat mag ook een kind zijn.



Elke familie krijgt 2 geiten en een bok. Uiteindelijk moet iedere familie weer drie beesten aan het project terug geven. Wanneer de beesten worden uitgegeven komt de veearts de eerste keer langs bij de families op kosten van het project. Daarna betalen de families de veearts zelf voor bijvoorbeeld de driemaandelijkse vaccinaties.

De coördinator bezoekt elke maand de families. Er is een “member committee” die maandelijks een vergadering belegt. Families betalen maandelijks een klein bedrag aan het “member committee” voor te maken kosten. Op de kosten van de coördinator na, die in dienst is van FINIDP, is het project grotendeels self-supporting.

Sommige mensen in het project bezitten land waar ze niks mee doen. “Ze kennen hun eigen rijkdom niet”, zo geeft de programmamanager aan. De mensen moeten leren hoe het land te bewerken. Ze moeten zelf de handen uit de mouwen steken.

En dat doen ze. Dat wordt heel duidelijk uit de bezoeken. Een aantal families maakt deel uit van verschillende projecten. Daar is geen bezwaar tegen. Het zijn hardwerkende mensen die zo een voorbeeldfunctie hebben voor hun omgeving.



We treffen een opvallend aantal families aan die wezen hebben opgenomen. Een oma spant daarbij de kroon. Zij zorgt liefst voor twintig wezen. Deze kinderen helpen buiten schooltijd allemaal mee op het land of bij de verzorging van kippen, geiten en een koe. Dat zullen ze vast wel een aantal keren met frisse tegenzin doen of er onderuit proberen te komen is onze reactie. Oma bestrijdt dit. Ze weten waar ze het voor doen.



Opvallend vaak wordt aangegeven dat het geld dat de geiten opleveren, gebruikt wordt voor het betalen van schoolgeld voor de kinderen.

De families waarderen onze komst. Oma laat voor ons een tray eieren aanrukken. Een andere familie komt met een papaya aanzetten ter grootte van een voetbal.

Het is een geweldige dag. Maar het belangrijkste is dat we dingen gezien hebben, waar we ons voordeel mee kunnen doen voor ons eigen project.



Een paar dagen later is de “distribution”. Families leveren 21 beesten in die uitgereikt worden aan zeven nieuwe families. We worden voor dit toch wel feestelijk gebeuren uitgenodigd. Er aan vooraf gaat een vergadering. Door de hoge temperatuur wordt deze vergadering buiten in de schaduw van een boom gehouden i.p.v. binnen. Helaas is de voertaal Lugandees. Zo wordt het toch een lange zit voor ons.




24 december 2011

Hulp, hulpeloos, help!

Ramazan, de gehandicapte jongen uit nieuwsbrief 13 is door verwijtbaar gedrag van degene die we eerder het predikaat “de weg kwijt” gaven, nog steeds niet geopereerd.

Het is ons er dan ook alles aan gelegen tijdens ons verblijf in Oeganda ervoor te zorgen dat Ramazan van zijn handicap verlost wordt.

We hebben contact gehad met het ziekenhuis en krijgen alle medewerking.

We roepen verder de hulp in van de districtscounselor voor gehandicapte mensen. Zij kent het adres van tante waar Ramazan woont.

Wanneer we daar aankomen blijken Ramazan en tante niet thuis te zijn. Ramazan is tijdens de schoolvakantie terug naar zijn vader. Tante is aan het winkelen.

We besluiten te wachten op de terugkomst van tante. Er is veel belangstelling voor ons en wij hebben veel belangstelling voor de spelende kinderen om ons heen. We vervelen ons niet.

Als tante terug is, geven we haar eerst een fotoboekje over Ramazan en zijn eerste onderzoek in het ziekenhuis. Daar is grote belangstelling voor.

Tante gaat akkoord met een hernieuwd bezoek aan het ziekenhuis een paar dagen later. Zij zorgt ervoor dat Ramazan dan weer bij haar terug is. Wij zorgen voor transport naar het ziekenhuis.

Een dag van te voren krijgen we bericht van de counselor. Ramazan is nog steeds bij zijn vader. Er is geen geld voor transport. Kosten 20.000 shilling, nog geen 7 euro.

Er wordt heen en weer gebeld. Wij stellen dat tante moet proberen wat geld te lenen voor een dag. Wij betalen de volgende dag terug.
Dat blijkt onhaalbaar.

In Oeganda geeft men niets om gehandicapten. Misschien is dat hier ook aan de orde. Maar misschien hebben we hier ook met een ander verschijnsel te maken. Als er een muzungu in het spel is dan weigeren veel Oegandezen zelf ook maar iets bij te dragen.

Tante heeft een oplossing voor het probleem. Of wij even naar haar toe willen komen, vanuit de plaats waar we nu zijn, 50 km rijden, om vervolgens Ramazan bij zijn vader op te halen. En dat is nog eens 3 uur rijden.

Onze boodschap naar tante is helder. Als jullie je verantwoordelijkheid niet nemen dan annuleren we alles.

Uiteindelijk is Ramazan dus opnieuw het slachtoffer. Dat zit ons dwars. In januari gaan we een nieuwe poging doen. Wordt vervolgd.


24 december 2011

Hiep, hiep, help, hoera!

Bijna dagelijks komen mensen op ons af met verzoeken. Het kan zijn dat men ons staande houdt op straat. Maar het gebeurt ook dat men plotseling voor de deur staat. Vaak is dan de vraag of we voor iemand een baan hebben.

Laatst werd Leo in de supermarkt aangesproken door een meisje. Haar zus is afgestudeerd en nu wil ze haar een b.h. geven. Helaas hoeft Leo geen advies te geven. Het gaat alleen maar om zijn portemonnee.

We gaan niet op die verzoeken in. Uitzonderingen bevestigen echter de regel.

Adams, een medewerker van het Lejofonds in Oeganda vraagt om hulp voor een meisje dat een ongeluk heeft gehad.

Wanneer we de familie bezoeken, zien we buiten op een stuk schuimrubber een meisje liggen. Maureen, zo heet het kind, is van een schommel gevallen doordat het touw brak.

Ze kan niet meer lopen, noch zitten. Praten kan ze ook niet meer. Eten gaat niet. Alleen wat drinken is mogelijk.

We vrezen voor verlammingsverschijnselen.

Moeder is met behulp van buren met Maureen naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis geweest. Daar kan men geen diagnose stellen doordat een röntgenapparaat ontbreekt.

Geld om naar een verder weg gelegen ziekenhuis te gaan is er niet. Moeder heeft zes kinderen, waaronder een zwakbegaafd kind. Ze staat alleen voor de opvoeding. Vader is overleden. Ze probeert wat geld te verdienen door voor anderen te wassen of het land te bewerken.

Hulp is noodzakelijk, dat is duidelijk. We zeggen toe dat het Lejofonds transport en onderzoek mogelijk gaat maken.

De volgende dag gaan we met Maureen naar het ziekenhuis.

Adams is onze tolk en gids. Moeder kan niet mee. Ze moet in een afgelegen plaats voor iemand het land bewerken om wat centen bij elkaar te sprokkelen. Het is druk in het ziekenhuis.In de wachtkamer blijken voornamelijk HIV/Aids patiënten te zitten. Maureen wordt per brancard vervoerd.

We moeten wachten in een smalle gang. Tegenover ons aan de muur hangen aanplakbiljetten met foto’s van afgrijselijke zweren. Mocht je dergelijke verschijnselen bij jezelf herkennen, zo geeft de tekst aan dan is het aan te raden contact op te nemen met het ziekenhuis. En, alsof er sprake is van een buitenkansje, als je dat doet, krijg je gratis medicijnen omdat er een proefprogramma loopt.

We mogen er bij zijn wanneer er röntgenfoto’s worden gemaakt.

Het gebeurt in een kleine ruimte waar geen enkele bescherming is tegen de stralen. Na het nemen van de foto’s is het meteen afrekenen. Over de hoogte van de prijs moet even nagedacht worden. Het zal wel een muzungu-prijs zijn.

De foto’s moeten drogen. Maureen wordt terug gebracht naar de wachtkamer. Kennelijk zijn de foto’s moeilijk te drogen, want het wachten duurt lang.

Leo maakt een geintje door te zeggen als het nog veel langer duurt, dat Maureen genezen naar huis gaat.

Een wonderlijke uitspraak? Niet helemaal. Maureen begint tekenen van leven te vertonen. Uiteindelijk vraagt ze zelfs om te kunnen zitten.

Als Herma haar dan papier en een pen geeft, leren we ook een creatieve Maureen kennen.

De radioloog komt met de verheugende mededeling dat er niets stuk of gebroken is. Daar hebben we ook niet meer op gerekend.

Blijft het raadsel van het niet praten. Als Maureen haar tong uitsteekt, is ook dat raadsel opgelost. Er zitten twee flinke scheuren in haar tong.

Maureen moet nog wel even langs de dokter. Daar staat echter een geweldige rij, wat nog enkele uren wachten betekent. Dat trekken we niet. We besluiten de volgende dag terug te komen.

Opgelucht verlaten we het ziekenhuis. ’s Avonds horen we dat niet alleen wij opgelucht zijn. De moeder ook, vooral de moeder, blij, gelukkig en daar opgewonden van.

De volgende dag blijkt de dokter toch hard nodig. In de boven- en onderrug zijn een paar botten van hun plaats verschoven. Doktershanden zijn nodig en daarna een week fysiotherapie. Medicijnen worden verstrekt tegen de pijn en om de tong te genezen.


15 december 2011

04. De derde ronde

Het kost ons drie dagen om alle families in sub-county Seeta Nazigo te bezoeken. Dat betekent ‘s morgens op tijd op pad. Dat is geen straf. Het is genieten van een wat mistig landschap. Onze uitvalsbasis is de basisschool Gods Glory. Het is ‘grote vakantie’. De school ligt er verlaten bij. De deur van een klaslokaal – misschien is hok een beter woord – staat open. Als je dan een onderwijsachtergrond hebt, kun je de verleiding niet weerstaan. Even binnen kijken. Het doet ons deugd het onderwijsmateriaal te zien hangen wat Herma voor deze school gemaakt heeft. We doen de ronde samen met de veearts, die de geiten zonodig vaccineert, vitaminespuiten geeft en geiten die nog geen oormerk hebben van een oormerk voorziet. Herma noteert alles nauwgezet. Niet voor niks, want we ontdekken onregelmatigheden. Een discussie voor later. De veearts wijst de weg. Hij weet precies waar alle families wonen. We hebben een lijst met daarop de namen van de te bezoeken families. Gek genoeg kan de veearts daarmee niet uit de voeten. Namen kent hij niet. Ter plekke moet hij vragen naar de familienaam. Wat namen betreft komen we vaak voor verrassingen te staan. Vader, moeder en kinderen, zelfs kinderen binnen hetzelfde gezin hebben verschillende achternamen. Dat heeft te maken met de indeling van verschillende families in clans.

Het landschap is heuvelachtig. We lopen vaak op smalle paadjes, soms over akkers omdat de weg ondergelopen is. We komen veel mensen tegen. We trekken veel bekijks. Men komt hier niet elke dag twee muzungu’s tegen. Omgekeerd trekken veel mensen onze aandacht. Daarbij behoren zeker de waterdragers. Jong en oud sjouwen met jerrycans water. Het behoeft geen uitleg dat het zwaar werk is. Dat zie je. Waar we ook komen, overal vindt men het reuze interessant ons te zien. Families lopen uit.. Maar vaak komen ook de buurkinderen aangesneld. De families zijn erg kinderrijk. Geboortebeperking staat hier nog in de kinderschoenen. Oudere kinderen nemen de zorg op zich van jonge kinderen. Je ziet dan ook veel dat jonge kinderen door een broertje of zusje gedragen worden. Water dragen is zwaar, maar dit kan ook zwaar zijn. Bij veel families is het een feest van herkenning. We hebben hen vaker bezocht en sommigen ontmoet bij schoolfeesten. Leo krijgt onverwacht een foto toegestopt waar hij staat afgebeeld met een kind dat vorig jaar op Gods Glory is ‘gepromoveerd’ naar groep 3. Op de foto is meer een roodhuid te herkennen dan een muzungu.

Voor een meisje hebben we een foto bij ons die we vorig jaar gemaakt hebben. Ze is er zichtbaar blij mee.Opvallend is dat ze hetzelfde rokje aan heeft als november vorig jaar.
Maar het kan sterker. We ontmoeten Katongole, een dove jongen. Hij heeft dezelfde kleding aan als toen we hem voor het eerst ontmoeten in begin 2010. Veel kinderen lopen in versleten kleren met gaten erin. Soms loop je bijna letterljk in je blote kont.
Bij sommige families zien we dat ze hard hun best doen met het verbouwen van diverse gewassen wat te verdienen. Zo zien we voor een huis de koffie-oogst op de grond liggen. Kippen voelen zich daarin kiplekker.
Bij een andere familie liggen de aardnoten oftewel de pinda’s op de grond te drogen.
Een familie heeft zich gestort op het kweken van tomatenplantjes. Bij deze familie is een jongen zo gek op de gekregen geit dat de geit ‘s nachts bij hem binnen slaapt, terwijl hij overdag in de stal staat. Ach, zoveel verschil is dat ook niet.
In onze onnozelheid hebben wij atijd gedacht dat ananassen aan bomen groeien. Van dat idée heeft men ons al eerder afgebracht. We begrijpen dat ananassen in de grond groeien. Toch blijf het ons verbazen dat we de ananassen altijd zo schoon in de stalletjes zien liggen. Bij het passeren van een ananasplantage hebben we dan ook even over het hek gekeken. Het is nu duidelijk, de ananasplant zit in de grond, de vrucht erboven. Zoals eerder vermeld: rokende mensen zie je haast niet in Oeganda. Nou is dat in de stad ook niet nodig want je krijgt genoeg andere stinkende gassen binnen. Het is dan ook een verrassing voor ons dat we in de binnenlanden een vrouw tegenkomen die rookt. Geen sigaret of een shaggie, maar pijp! Drie dagen sjouwen door de binnenlanden levert behalve mooie plaatjes Leo ook een gewrichtsontsteking in zijn voet op. Gedwongen rust. Tijd om een verslag te schrijven. Bij kaarslicht. De stroom is weer eens uitgevallen. Romantisch? Wij weten beter!




15 december 2011

Het loopt gauw in de papieren!

Het Lejofonds is actief in Oeganda.Toch is de overheid officieel niet op de hoogte van de activiteiten. Daarvoor is het nodig dat het Lejofonds een ngo-certificaat aanvraagt. Waar staat ngo voor? Wikipedia, de vrije encyclopedie zegt daarover het volgende:

Een niet-gouvernementele organisatie (of ngo, ook wel non-gouvernementele organisatie) is een organisatie die onafhankelijk is van de overheid en zich op een of andere manier richt op een verondersteld maatschappelijk belang. Over het algemeen gaat het om organisaties die werken aan het bevorderen van milieubescherming, gezondheid, ontwikkelingswerk of het bevorderen van de mensenrechten. De term wordt veel gebruikt voor organisaties die zich met ontwikkelingssamenwerking bezighouden.

Heeft het Lejofonds een ngo-certificaat dan zijn alle activiteiten legaal, kan er bij problemen een beroep gedaan worden op hulp van de overheid en zijn er een aantal belastingvoordelen.

Op dus naar het ngo-certificaat. Gemakkelijk gezegd, moeilijk gedaan. Nederland wordt als een bureaucratisch land gezien.Nou, Oeganda blaast ook een partijtje mee.

We moeten formulieren invullen waarin we aangeven wat het Lejofonds allemaal doet in Oeganda. Geen probleem. We moeten een onderzoek in laten stellen of de naam Lejofonds al voorkomt in Oeganda, Wij weten de uitkomst al, maar dat telt niet. De Nederlandse ambassade moet een aanbevelingsbrief schrijven. Zo komen we weer eens in Kampala.

Er moet een P.O.Box gehuurd worden. De overheid moet het Lejofonds toch berichten kunnen toesturen.Kopieen van de paspoorten zijn nodig. Die zijn net nieuw, dus met frisse koppies. Ook zijn C.V’s van ons nodig. Die knutselen we op een avond in elkaar. Een werkplan van het Lejofonds voor 2012? We lepelen het op. Uittreksel van de Kamer van Koophandel? Die hebben we zowaar bij ons. Vertalen in het Engels? No problem! Statuten van het Lejfonds? Hebben we ook.

Bewijs van goed gedrag? Tsja, nu gaan we de mist in. We hebben ze wel, maar thuis en verlopen. Kopieen van onze diploma’s Ai, die liggen ook thuis (Maar waar?). En dat betekent dat we dag met het handje kunnen zeggen tegen het gewenste certificaat. Een voorlopig certificaat is nu het hoogst haalbare. We gaan er voor. Maar daar moeten we nog wel wat meer voor doen.

De lokale overheid doet ook een behoorlijke duit in het zakje. Verderop zal blijken dat in de praktijk onze duiten in hun zakjes verdwijnen. De kleinste bestuurlijke eenheid in Oeganda is een dorp.

Een dorp wordt bestuurd door een lokale raad, de LCO1. Daarna volgt de parish, een bundeling van dorpen, bestuurd door LCO2. Vervolgens krijgen we de sub-counties, bestuurd door, jawel, LCO3. Dan komen de counties of de provincies. Bestuurd door? Drie keer raden: LCO 4. Tenslotte hebben we de districten die uit meerdere provincies bestaan.Zelf in te vullen wie een distrcit bestuurt.

Wil je een ngo-certificaat verkrijgen dan zul je tenminste langs de voorzitters van LCO 1, 2 en 3 moeten om van ieder een gestempelde verklaring te verkrijgen. En elke LCO vraagt daar een eigen bedrag voor.

Voor Oegandese begrippen worden daar fikse bedragen voor gevraagd want men gaat ervan uit dat een aanvrager van een ngo certificaat de nodige centen heeft. Een kwitantie? Nee, dat is niet mogelijk. Het geld wordt niet afgedragen aan de overheid. Corruptie? Wie zegt dat?

We hebben inmiddels bijna alles bijelkaar. Nu wacht ons nog een ontmoeting met de NGO-board in Kampala. Zij zullen ons een interview afnemen. We voelen ons weer schoolkinderen die examen moeten doen.


8 december 2011

03. Geduld is een schone zaak, maar de tijd gaat verder.

Dit keer bezoeken we de families in sub-county Knonkonjeru op een afstand van ongeveer 25 kilometer van Mukono.Het is een uurtje rijden met de auto. Dat ligt niet helemaal aan de afstand, maar ook aan de toestand van de weg. Geen glibberige wegen door de regen dit keer. Het zijn vooral de vele gaten in het wegdek die ons slalommend de weg over doen gaan.

Wanneer we een zijweg inslaan worden de kuilen steeds groter en sommige gedeelten van de weg erg drassig. Op een gegeven moment kunnen we niet verder. We zijn genoodzaakt het laatste stuk te lopen.



Onze bestemmimg is de Kisimbizi primary school. Deze school heeft als motto “Through patience you win”. Een toepasselijk motto. De school is erbarmelijk gehuisvest. Fundamenten voor drie nieuwe klaslokalen ligger er al meer dan een jaar. Er is geen geld om de lokalen af te bouwen. We hebben hier eerder over bericht.

Zie: Through patience you win

De school ligt aan het eind van een groot veld. Vanuit de verte zien een aantal kinderen ons aankomen.

Ze komen hollend aangerend. Ze vliegen Herma om de hals en roepen Herma Annyas . En dat met de juiste uitspraak. We staan perplex.

Onder hun begeleiding gaan we naar mister Spencer, de ‘ecxecutor” van het project in dit gebied en headmaster van de school.

Onze komst is voor hem onverwachts en zijn mond valt dan ook open van verbazing. Het is een hartelijk weerzien.

De veearts staat ons al op te wachten, We kunnen onze bezoeken beginnen aan de families in het project. De situatie van de eerste familie is duidelijk verbeterd. De oogst van pinda’s ligt voor het huis op de grond. Er is een overdekte kookplaats aangebracht. De geiten zien er goed uit. Eén geit ontsnapt. Maar dat is van korte duur. De kinderen weten het beest te vangen en dragen hem terug.



Moeder is blij ons weer te zien. Aan het eind van het bezoek krijgen we een aantal maïskolven mee.

Een oma maakt ook deel uit van het project. Zij voedt vier kleinkinderen op waarvan de ouders zijn overleden aan aids. Wanneer we haar huisje naderen zien we wasgoed wapperen aan de waslijn.

Herma herkent onmiddellijk een zijden blouse van haar moeder. Het merkje van het verzorgingstehuis is nog zichtbaar. Vorig jaar zijn we hier geweest en hebben voor oma en de kinderen kleding achtergelaten. Oma zelf is helaas niet thuis. Zij is aan het werk op het land.

De deur van het huisje staat open en het geeft ons de gelegenheid binnen een kijkje te nemen. We zien een klein slaapvertrek met een houten bed, klaarblijkelijk het bed van oma. Daarnaast ligt een stuk schuimrubber op de grond. Kennelijk de slaapplaats van enkele kinderen. We zien een keukentje en een kleine ruimte wat dienst doet als een soort “voorraadkast.

Vlakbij oma woont een zus van de veearts. We maken kennis met haar. De veearts vertelt dat hij destijds uitgenodigd was voor haar bruiloft. Vanwege studie was hij verhinderd. Na de bruiloft is zuslief verhuisd en is de veearts haar uit het oog verloren.

Voor het project “Goat to Goat” moet hij op bezoek bij oma en zo vond hij zijn zus weer terug. Waar het project al niet goed voor is.

Knonkonjeru staat er goed voor. Op een na alle families hebben de eerste geboorte van hun geit terug gegeven aan het project en voldoen daar mee aan de voorwaarde van het project.



De geiten en/of de bokken die daarna geboren zijn, behoren nu de families toe. Knonkonjeru is hard op weg naar self-supporting. En dat is wat we graag willen.
We complimenteren mister Spencer met zijn goede werk als “executor”. Hij straalt zichtbaar. Op zijn beurt vraagt mister Spencer onze aandacht voor zijn school en de drie af te bouwen klaslokalen. Hij is 66 jaar. Zijn gezondheid gaat achteruit. Het is zijn droom de nieuwbouw te realiseren. Daarna kan hij de school in handen geven van een opvolger en kan hij rustig met pensioen. Nu nog niet.
Tenslotte pakt mister Spencer onze handen vast en spreekt een gebed uit waarin hij God dankt voor onze komst.